INDIC
Het verzamelen en berekenen van regionale transport indicatoren voor België
Transportindicatoren zijn een belangrijk onderdeel van het onderzoek naar en
het beleid rond mobiliteit. Helaas zijn veel van deze indicatoren voor België
enkel gekend op een geaggregeerd niveau (nationaal en regionaal).
Het doel van het project ‘Beschrijving en analyse van vervoersindicatoren op een niveau
van ruimtelijke desagregatie fijner dan de Gewesten’ is een set indicatoren samen te
stellen op een ruimtelijk gedesaggregeerd niveau (niveau provincies en arrondissementen).
Dit moet de bevoegde overheden toelaten om op een preciezere manier de evoluties in de
mobiliteit te volgen.
De uitwerking van de indicatoren vormde een secure oefening, rekening houdend met de
veelheid aan factoren die nodig zijn om de complexiteit van de mobiliteitsproblematiek
te beschrijven.
De indicatoren zijn, in nauw overleg met het Planbureau en de FOD Mobiliteit en Transport,
geselecteerd op hun relevantie als transportindicator, hun toepasbaarheid in de gebruikelijke
mobiliteitsinstrumenten en hun ‘meetbaarheid’.
De indicatoren die in deze studie worden behandeld, zijn gegroepeerd in vijf categorieën, in overeenstemming met de nota van het Federale Planbureau (Gusbin D. (2005).
De thema’s zijn:
1. Macro-economische gegevens
Er zijn vier indicatoren geanalyseerd in deze categorie: het aantal inwoners, het aantal
werkplaatsen volgens arbeidsplaats, het aantal arbeidsplaatsen volgens woonplaats en het
aandeel van de vervoerkosten in de globale uitgaven van de huishoudens. Deze laatste zijn
uitgesplitst naar verschillende componenten zoals het aandeel van het voertuiggebruik, de
aankoop, onderhoud…
2. Gegevens betreffende de vervoerinfrastructuur
Deze tweede categorie van indicatoren omschrijft de omvang van de wegen-, spoorweg-, rivier-
, haven-, luchthaven- en multimodale infrastructuur. Het wegennet wordt beschreven volgens
de lengte voor de verschillende wegtypes in België, net als de rivier- en spoornetwerken.
De luchthaveninfrastructuur is getypeerd door de technische capaciteit. Voor de havenzones
concentreert de beschrijving zich op de specificatie van de haven en de soorten producten
die er geproduceerd/verwerkt worden. Ook de lengte van het fietsroutenetwerk is behandeld.
De multimodale overslagpunten zijn opgesomd en voor elke locatie is aangegeven welke
vervoerswijzen er beschikbaar zijn.
3. Gegevens betreffende de voertuigvloot
Dit derde deel beschrijft het Belgische wagenpark. Hiervoor werden verschillende analysecriteria
geselecteerd: de vloot wordt beschreven naargelang het soort voertuig, de gebruikte brandstof,
de categorie van cilinderinhoud, maar ook naar de leeftijd van het voertuig teneinde het
penetratiepercentage van de verschillende EURO-normen in het Belgische autopark te evalueren.
Bijkomend is een onderscheid gemaakt tussen bedrijfswagens en wagens van particulieren.
Vrachtwagens zijn geklasseerd volgens de ’maximaal toegelaten last’.
4. Verkeer en vervoersvolume
Deze vierde set van indicatoren beschrijft de omvang van de verkeers- en vervoersvolumes,
zowel voor personen als voor goederen, telkens voor de verschillende vervoerswijzen. Voor
het luchtverkeer is het aantal vliegtuigbewegingen per luchthaven gebruikt als indicator.
Het personenvervoer over de binnenvaart is niet opgenomen omwille van de minimale omvang
van deze vervoerswijze in België.
5. Externe effecten van transport
Deze categorie van indicatoren behandelt emissies, congestie en ongevallen. De emissies
worden voor al de vervoerwijzen gegeven, congestie alleen voor het wegtransport. De emissies
zijn uitgewerkt op het nationale en regionale niveau. De verkeersongevallen zijn ingedeeld
naar de ernst van het ongeval.

rapporten
Eindrapport (Fr.)
periode
2005 - 2006
opdrachtgever
Belgische federale overheid, Federaal Wetenschapsbeleid (ex-DWTC)
medewerkers
Kristof Carlier
in samenwerking met
ULB (projectleider), TML
contact
Griet De Ceuster
+32 16 31.77.30
